Omar in mei

 

Een tentoonstelling van Vincent Meessen in Centre Pompidou, Parijs


28 maart – 28 mei 2018

27 maart: opening, 19u (rsvp)

11 mei: boekpresentatie met gesprek The Other Country


Al vijftien jaar werkt de Brusselse kunstenaar Vincent Meessen (Baltimore, Verenigde Staten, 1971) aan een oeuvre op het snijvlak van beeldende kunst en onderzoek. Door verdrongen symbolen, beelden en verhalen opnieuw in stelling te brengen, geven zijn werken een poëtische en polemische wending aan de geschiedsschrijving. Middels verscheidene media, waaronder bewegend en gedrukt beeld, geluid en archiefdocumenten, toetst Meessen het verleden af tegen het heden.


Met Personne et les autres, het Belgische Paviljoen van de 56e Biënnale van Venetië in 2015, vertegenwoordigde Vincent Meessen België door een tiental kunstenaars uit vier verschillende continenten uit te nodigen. Ieder van hen wierp een kritische blik op narratieven, ontmoetingen en vormen die de starre werkelijkheid van de koloniale moderniteit weten te ontspringen, zij het lichamelijk of geestelijk, in de verbeelding, in revolutie, of in uitwisseling.


Omar in mei, de eerste tentoonstelling van een Belgisch hedendaags kunstenaar in het Centre Pompidou sinds elf jaar, staat in direct verband met dit zeer goed ontvangen Paviljoen. Er zal namelijk een filmversie te zien zijn van One.Two.Three, het audiovisuele werk dat Meessen zelf in Venetië toonde en onlangs door het Franse Centre National des Arts Plastiques aangekocht werd. Dit werk schijnt zijn licht op de bijdrage van jonge Congolese studenten aan het avontuur van de Situationistische Internationale in de jaren zestig in Parijs en Brussel. Tijdens mei ’68 schreef een van hen een strijdlied in het Kikongo (een van de Congolese talen), dat opdook in de archieven van de Belgische Situationist Raoul Vaneigem. Door tussenkomst van Meessen vond de compositie in Kinshasa haar auteur terug, Joseph M’Belolo Ya M’Piku. De strijdlust van het stuk kreeg nieuwe betekenis toen jonge lokale musici het in een legendarische rumbaclub in Kinshasa op muziek zetten, terwijl er buiten een volksopstand gewelddadig de kop werd ingedrukt.


Andere werken in de tentoonstelling problematiseren aan de hand van reeds lang begraven herinneringen de commodificatie van mei ’68. Het draait hier niet om een gemythologiseerde mei ’68, beperkt tot het Parijse Quartier Latin. Juist andere, gerelateerde revoltes die in Dakar en Kinshasa plaatsvonden worden in het kader gebracht. In beide gevallen interesseert Meessen zich voor de routes die jonge Afrikaanse intellectuelen aflegden en direct of indirect de Situationistische Internationale kruisten – die “geest die door de cultuur waart” en die een even radicale als onuitwisbare indruk op de wereld van de ideeën en de vormen heeft achtergelaten.


Een foto van een jonge Senegalese student die het nieuwste nummer van het tijdschrift van de Situationisten leest, neemt de bezoeker mee naar Dakar. In een speciaal voor deze tentoonstelling ontwikkelde installatie presenteert Meessen Juste une mouvement, de eerste etappe van een ‘film in wording’. De formule is van Godard, en heropent La Chinoise, de film waarin dezelfde jonge student, Omar ‘Blondin’ Diop, zijn eigen rol van maoïstische militant speelt. Meessen neemt Godards fictie als getuige, en stelt de vraag of die in 1971 niet werkelijkheid wordt in Dakar. De leden van de groep van de ‘Blondinistes’ werden toen veroordeeld voor een aanslag gepland op de optocht van de Senegalese president Senghor en diens gast en jeugdvriend, de Franse president Pompidou. Nu, rond de vijftigste verjaardag van mei ’68, zijn ze getuigen.

 


PUBLICATIE


Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt de publicatie The Other Country, geredigeerd door Vincent Meessen in samenwerking met WIELS, centrum voor hedendaagse kunst (Brussel) en Sternberg Press (Berlijn). Dit werk bevat essays van Ruth Baumeister, Stefano Collicelli Cagol en Pedro Monaville, een dialoog tussen Tom McDonough en Vincent Meessen, en een beeldessay door Vincent Meessen.
Met steun van Jubilee – platform for artistic research, en a/r (art & recherche, Brussel).

 


GESPREK & BOEKPRESENTATIE
11 mei 2018


Rondetafelgesprek tussen Catherine David (adjuct-directeur Centre Pompidou), Dialo Diop (broer van Omar Diop), Vincent Meessen en Felwine Sarr (auteur van o.a. Afrotopia, onder voorbehoud)


Hoe worden subjectieve herinnerinen vormgegeven in een politieke geschiedsschrijving die nog altijd door machthebbers wordt beïnvloed? Hoe kan een commercialisering van het collectieve geheugen worden vermeden? Hoe kan een rouwproces dat nooit afgesloten werd vandaag mogelijkheden tot emancipatie bieden?


Op 11 mei 1973 werd het levenloze lichaam van de jonge revolutionair Omar Diop gevonden in zijn cel op het gevangeniseiland Gorée, bij Dakar. Op zijn 45e sterfdag en in het kader van Omar in mei, gaan de kunstenaar en de curatrice in gesprek met Dialo Diop. Hij was Omar’s broer en politiek activist, voormalig secretaris-generaal van RND (Rassemblement National Démocratique), de partij die gesticht werd door de grote Senegalese denker Cheikh Anta Diop – beiden historische tegenstanders van de voormalige Senegalese president Senghor.


In zijn jonge jaren was Dialo Diop een van de Incendiaires (‘ontvlambaren’), die tot levenslang veroordeeld werden voor hun gewelddadig verzet tegen de komst van Georges Pompidou in 1971 – waarvan de dood van Omar Diop niet los gezien kan worden.